De poort

Als u het land achter deze poort betreedt’, zegt de wachter, ‘zult u alles achter u laten. Vanaf de andere zijde mag ik niemand toegang verlenen’.
‘Laat me door’, zegt de prins. En hij betreedt het onbekende land.
De weg kronkelt door een bos, lange tijd zijn er alleen bomen waarvan de bladeren zachtjes ritselen, mos, wat gevallen takken. Het pad is goed te volgen en nodigt uit door te lopen. ‘Dit is het dan’, denkt de prins. Was het een opwelling geweest die hem uit het paleis deed vertrekken? Nee, wat viel er immers nog voor hem te doen? Zijn broer was altijd al beter geweest in staatszaken, hem hadden die nooit geboeid. Natuurlijk had hij kunnen blijven, maar waartoe? Zijn vader had hem gevraagd te wachten, was eerst boos geweest, toen bitter en op het laatst bedroefd. Zijn broer had wel begrepen dat hij anders was. Dus de prins vertrekt. Vanaf het paleis gaat hij langs het graf van zijn moeder, ach kon hij, een keer nog maar, haar omhelzing voelen. Nu is hij dan op weg. Alleen, wat hij zoekt, zal hij het hier wel gaan vinden?


H
et pad kronkelt omhoog, daalt weer, en op elke heuveltop strekt het golvende landschap zich verder uit. In welke richting hij ook zal gaan, het lijkt niet uit te maken. De middag vordert, het wordt fris, de zon komt al niet meer zo hoog deze maand. Wattenwolken omklemmen helderblauwe hemel. De prins trekt zijn mantel dichter om zich, de dikke wol zal hem tegen de kou beschermen. Op een kleine open plek met een forse berk rust de prins wat uit. Een ree verschijnt, snuffelt tussen de struiken en lijkt hem niet te zien. ‘Nu zou er een teken moeten komen’, denkt de prins. ‘De ree gaat me vast de weg wijzen’. Op dat moment echter heft het dier de kop, ziet de prins en springt weg door het struikgewas. ‘We hebben je ook bejaagd in het Koningsbos, mijn vader, broer en ik’, herinnert de prins zich. ‘Dus ik begrijp het wel dat je niet met me spreken wilt’.

Het wordt nu waarlijk koud, de nacht gaat zo vallen. Zijn mantel zal hem als deken dienen, weet de prins, maar hij moet eerst wat drinken. Een veldfles en proviand heeft hij niet meegebracht, voor een koningszoon zal er immers altijd overvloed zijn. Hij zoekt rondom de open plek naar een stroompje of desnoods een poel, als het water maar helder is. Maar vinden doet hij niets. Is er niemand die me naar het water zal leiden? Plotseling hoort hij vogelgekwetter. ‘Daar is het dan’, denkt de prins verheugd, ‘de vogels zullen me de bron tonen’. Maar op de plek beland waar het geluid vandaan komt ziet hij een groepje spreeuwen druk vechten om iets wat hij in het late zonlicht niet kan ontwaren, en water is er niet te bekennen. ‘Ook de vogels helpen me niet’, begrijpt de prins teleurgesteld. ‘Weten ze soms niet wie ik ben?’ Nu is hij ook nog de weg kwijt, waar was die open plek gebleven? Het schemert inmiddels echt en weldra zal hij geen hand voor ogen meer kunnen zien. Nu ja, misschien zal elke plek zich wel zacht betonen voor een koninklijke gast. Alleen, dat hij zo’n dorst heeft, dat hoort natuurlijk niet.

Nog steeds op zoek naar de open plek daalt de prins in het halfduister een klein heuveltje af, en waarachtig, daar glinstert een stroompje in het maanlicht. De prins drinkt en voelt zich verkwikt. Hij vindt een geschikte slaapplek en vleit de mantel over zich heen. Het is een wonderlijk begin van zijn reis geweest, meent de prins. Veel hulp heeft hij niet gehad, maar dat zal morgen wel anders zijn. En hij valt in een diepe slaap.


D
e volgende ochtend wordt de prins stram en stijf wakker. De mantel is misschien toch niet warm genoeg geweest. En hij heeft trek. Waarom was hij ook zonder zijn trouwe paard gaan reizen? Dan had hij dit bossige heuvelland al lang verlaten en had het slimme dier hem gevoerd naar waar zijn taak op hem zou wachten. Geritsel haalt hem uit deze gedachten en de prins ziet een wezel, of iets wat daarop lijkt, wegschieten tussen de struiken. ‘Als ik daar nu eens ga kijken, dan zal ik vast paddenstoelen vinden’, verwacht de prins. Maar er liggen alleen dennenappels op de bodem en die kan hij toch echt niet eten. Hongerig en verwonderd over de weinige steun die hij van de natuur en de dieren heeft ontvangen, vervolgt de prins zijn weg. Ook nu weet hij niet in welke richting hij moet gaan en daarom volgt hij maar de zon, die gelukkig nog enige kracht heeft. Een pad is niet meer te herkennen en de prins schaaft zijn handen aan de doornenstruiken die hij opzij moet duwen om doorgang te krijgen. Dat hij rondom een oude eik paddenstoelen vindt verheugt de prins niet zeer, maar toch eet hij ze en hij is blij dat de magister die hem en zijn broer onderwezen had, hem de eetbare soorten heeft geleerd.


D
aar eindigen de heuvels, een vlakte strekt zich uit en de bomen worden schaarser. Hoog in de lucht ontdekt de prins een adelaar, en de aanblik daarvan vervult hem met een grote vreugde. ‘Deze koningsvogel gaat me mijn doel wijzen!’ weet hij stellig. Maar de adelaar trekt grote bogen, stijgt hoger en hoger en een laaghangende wolk ontneemt de prins het zicht op het dier. ‘Zit dan alles tegen?!’, roept hij wanhopig uit. Met weinig plezier gaat hij maar voort, en als er een vos verschijnt die de prins schrander lijkt aan te kijken, verwacht hij al niet meer dat het dier het woord tot hem zou richten. ‘Ik heb het verkeerde gedaan’, bedenkt de prins mismoedig terwijl hij vermoeid voortsjokt. En ook een hut, waarin hij arme mensen verwacht wie hij prinselijke hulp zou kunnen bieden, is verlaten. Er is wel een bron waaruit de prins water kan putten dat zijn droge keel en mond verzacht. Zo kan hij de reis weer hervatten.


D
e vlakte daalt en mistflarden omhullen de prins. Een bleke zon is net nog te zien en ook nu volgt hij die maar. De mist heeft echter een rotswand aan het zicht onttrokken, die hem nu dreigend de weg verspert. Waar de prins ook kijkt, nergens kan hij een doorgang ontwaren of een minder steile plek die makkelijker te beklimmen zou zijn. De rotswand strekt zich uit zover hij kan zien, een weg er omheen zoeken lijkt zinloos. Oplettend loopt de prins langs de wand, op zoek naar een route die hem genoeg houvast zal bieden om te klimmen. Laf is hij niet, omkeren wil hij niet, dus hij moet in de bestijging slagen. Alleen, hoe hij ook speurt, er lijkt geen goede opgang te bekennen. Maar dan, na het passeren van een uitstekende rotspunt, ziet de prins iets dat zijn aandacht trekt. Wat is dat? Een vrijliggende boomwortel waaraan hij zich zou kunnen optrekken? Hij weet enige meters omhoog te klimmen en als hij dichterbij komt ziet hij het: het is een eind touw, hangend aan een stalen pin die in de rots is geslagen. Het touw oogt wat verweerd, maar misschien is het sterk genoeg. Het zijn mensenhanden geweest die dit voor hem hebben achtergelaten; waarom deze gedachte de prins ontroert weet hij niet goed. Hij bereikt het touw, trekt zich eraan op –het houdt!- en bereikt een smalle richel vanwaar hij de rotswand beter kan bezien. Hier moet een weg zijn, het touw heeft hem die gewezen. En inderdaad, zoals eerdere voeten voor hem krijgen de zijne houvast, en zijn handen vinden de grip die voorgangers hebben benut. Door goed op te letten, niet te verslappen en erop te vertrouwen dat iedere stap omhoog hem de volgende zal tonen, geraakt de prins boven. Hij klautert over de rand en blijft even liggen, nahijgend van de inspannende tocht.
Dan richt de prins zich op, en hij wordt beloond: de mist is opgelost en een breed plateau strekt zich voor hem uit in het late licht. De prins haalt diep adem en draait zich om. Daar, achter hem, ver beneden, ligt de weg die hij is gegaan. Hij kan hem zelfs terug volgen tot aan de poort waar hij de wachter trof. Maar dan ziet de prins, tot zijn verbijstering, zichzelf lopen op het pad. En hij heeft antwoorden op alle vragen die hij eens had, en raad bij de moeilijkheden die hij eerder had ondervonden. Maar roepen kan hij niet, want de afstand is te groot.


D
e prins draait zich weer om. Daar is de richting die hij moet gaan. Hij ziet een kronkelige weg, deels aan het zicht onttrokken. Het blauw van de lucht wordt diep, straks is het avond. Maar hij zal vast een schuilplaats vinden, als hij die behoeft. Een wolk schuift opzij en plotseling belicht de laagvallende zon een witte vlek, hoog op een berg. De prins spant zijn ogen in om het beter te kunnen zien. Ja! Daar boven lijkt een indrukwekkende muur te liggen, en waarachtig, daarachter ziet hij een burcht met rijzige witte torens. De prins aarzelt even. Maar dan zet hij zich in beweging. Zoals hij zijn weg is gegaan, zo zal hij hem ook nu vinden. En als het zo mag zijn, zal straks de witte burcht, zo ver in de lucht, zijn poorten voor hem openen.

 

©  Sybe Dijkstra    2010-2019