De Tovenaar

Vermoeid zat de tovenaar op het bankje voor zijn hut. Hij keek uit over de weide voor hem op de helling, de bergen in de late middagzon. Behalve het ruisen van de bomen aan de woudrand en wat vogelgetjilp, was het stil. Wat deed hij hier nog?

Waarom hij op deze plek was geraakt, gevlucht eigenlijk, dat wist hij nog heel goed. Nooit wilde hij meer terug naar dat hof waar ze allemaal naar zijn gunsten en kunsten hadden gedongen, de koning natuurlijk maar ook de hertogen en prinsen, ministers, hofdames, ja, wie al niet? Zelfs die belachelijke hofnar had hem een lach willen laten toveren op het verveelde gezicht van de hovelingen. Had hij niet gedaan natuurlijk. Ze mochten zo veel wensen, of eisen zelfs. Niemand had hem toch iets durven doen, of hij nu deed wat er verlangd werd of niet.

    .

Ja, toen hij jong was, vervuld van eigen krachten, wat hij toen allemaal niet had uitgespookt. Geluk voor de een en malheur voor de ander en een week later omgekeerd, zolang ze maar betaalden. Nou ja, om geld was het hem nooit gegaan, een vingerknip en het kwam zomaar tevoorschijn. Maar aanzien, bewondering, afgunst, dat had hem steeds weer in beweging gebracht. Tot het hem te heet onder de voeten werd. Je kon tot zover gaan, daarna werd het link, al kon je alle schildwachten in het paleis de wapens uit de handen toveren. Wegwezen. Het was hem eigenlijk al een tijd genoeg geweest. Maar ja, wat dan? Een ander hof, beter van niet. Of naar de stad, in debat met geleerden, kooplieden inpalmen, opnieuw indruk maken, nou nou, wat hij allemaal niet vermocht? Nee, niks gedaan. Deze berghut was hem goed genoeg, hier had hij rust, ver weg van alle gezeur.

.

Kon hij het nog? Met een armgebaar balden zomaar wolken samen die tot nu toe vredig over het dal hadden gedwaald. Schimmig licht kwam over de helling, de wind stak op en een bliksemschicht doorkliefde de lucht. De hand van de tovenaar ontspande zich, en zieaan, de zwarte wolken losten op, zonnestralen streelden het gras en de vogels durfden hun zang weer te hervatten. Natuurlijk beheerste hij zijn kunst nog, hoe had hij eraan kunnen twijfelen. Maar wat baatte het hem. Drie jaar had hij al geleefd in deze afgelegen hut. Maar nu, hij wilde hier toch niet eeuwig blijven?

.

Plotseling klonken er stemmen vanaf de bosrand. Hij zag een echtpaar en drie kinderen, kleintjes nog. Ze oogden wat verlopen, maar bewogen zich welgemoed voort, tassen en zakken op de schouders geladen. De vrouw had de allerkleinste op de arm en een van de anderen zong een liedje. Aarzelend kwam de tovenaar van het bankje. Wie waren dit, wat kwamen ze doen? Boodschappers of soldaten had hij zo op een dwaalspoor kunnen sturen, maar dat wilde hij bij deze mensen niet doen. Ze naderden. Een hand werd geheven ter begroeting, hij groette aarzelend terug. Ze zagen er armelijk uit, ondanks deels kleurige kleding. Hij werd toegesproken in een taal, niet uit deze streek maar die hij uiteraard verstond: mijnheer, ver van huis, de nacht valt, konden ze misschien… Hij veinsde hen niet goed te verstaan maar wees naar zijn hut: natuurlijk waren ze welkom. De glimlach op hun gezicht was mooier dan alles wat hij ooit aan het hof had ontmoet. De man maakte een korte buiging en toonde zijn eeltige handen: ze konden werken, voor onderdak, een maal. De tovenaar gebaarde: dit huisje, ga binnen, en: ik vertrek, nemen jullie het. Hij wees over de bomen. Daar ga ik heen, ik heb dit niet nodig, toevallig stond ik net op het punt… Ze keken hem ongelovig aan.

.

Ja, waarom niet, waarom zou hij niet dit dal uitwandelen, gewoon, de wereld in? Hij streek de kleine jongen door het haar. Blijf, zo duidde hij, het is hier goed. Ik ga daarheen, gebaarde hij nogmaals. Heb het goed hier, vaarwel. Niet echt begrijpend blikten ze hem na. Nu de pas erin zetten, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Zo liep hij over de weide naar het bos, nagekeken door het gezin. En toen ze de tovenaar tussen de bomen zagen verdwijnen, leek er plots muziek te klinken, wonderlijk en klaar.

.

Van de tovenaar heeft niemand ooit meer iets vernomen. Maar die speelman, met zijn muziek, zijn kunstjes en een opbeurend woord voor iedereen, ja, die kennen ze, in alle landen.

.

Sybe Dijkstra
.
2018 © Sybe Dijkstra