Prinses Goudhaar

Lang geleden leefde een prinses in een slot aan de zee. Ze was heel jong en groeide beschut op achter de witstenen muren hoog op de rotsen. Vaak beklom ze de grootste toren waar ze zo mooi naar de vogels en de wolken kon kijken en waar de wind speelde met haar gouden haar. Zo kwam ze ook aan haar naam: Goudhaar. De mensen op de velden en in de stad verderop zagen haar dan op de transen staan en iedereen hield van de prinses omdat ze niet alleen gouden haar, maar ook een hart van goud had.


Wat was het fijn geweest als alles zo had kunnen blijven. Maar op een kwade dag stierf Goudhaars moeder, de koningin, aan een plotselinge ziekte en werd het land in rouw gedompeld. De koning was er nog het ergste aan toe. Hij gaf het bevel om alle luchters met zwarte doeken te bedekken, stro op de vloeren te leggen en stilte in acht te nemen. Niets mocht hem afleiden van het gedenken van zijn lieve vrouw. Hij sprak met niemand meer en een bedrukte stilte daalde neer op het eerst zo gelukkige hof. Vele maanden gingen zo voorbij. Met gedempte voetstappen passeerden de bedienden elkaar zwijgend in de gangen. De enige die je nog hoorde was Goudhaar. Haar had de koning het spreken niet durven verbieden en haar stem klonk helder tussen de pilaren. Menigeen keek haar met een vreemde mengeling van gevoelens na als ze langs kwam huppelen.

Nu was Goudhaar niet alleen maar vrolijk, dat laat zich raden. Vaak ging ze in haar eentje de lange trap op van haar toren en stond ze in de zeewind voor zich uit te staren. De enigen die haar dan konden afleiden waren de meeuwen voor wie ze dikwijls wat brood meenam. Ze kruimelde het in haar handen en hield het omhoog boven haar gouden haar. De vogels krijsten en verdrongen zich om het brood. Maar toch wiekten ze voorzichtig om Goudhaar heen en nooit werd de kleine prinses geraakt door een scherpe snavel of vleugelpunt. De schelle roep van de vogels klonk hoog vanaf de toren naar de binnenplaats en de hovelingen vergaten nooit om het prinsesje wat extra brood te geven voor haar vrienden.

Meeuwen op kantelen
Goudhaar waren de kreten ook vertrouwd geworden, maar zij meende ook de woorden te herkennen die de dieren haar toeriepen. ‘Rhaaa Rhaaa, wees niet bedroefd!’ hoorde ze. En: ‘Goudhaar, Goudhaar, alles komt goed!’ En hoewel ze niet wist of de meeuwen nu echt spraken of dat ze het zich verbeeldde, toch deden die woorden haar goed en kreeg ze weer zin om verstoppertje te spelen en te rennen over de binnenplaats. Heel soms kon Goudhaars vader wel met haar praten. Dat was fijn, al waren ze natuurlijk beiden bedroefd. En de koning wist zeker dat hij nooit meer een andere vrouw zou vinden. Maar nu wilde het toeval dat daar verandering in zou komen. Op een dag bracht een bode het nieuws dat de koning van het machtige buurland naar het slot zou komen om een verdrag te bespreken. Dat moest natuurlijk doorgang vinden. Met enige tegenzin beval de koning het stro en de zwarte doeken weg te halen en alles klaar te maken voor dit belangrijke bezoek. Dienaren snelden af en aan en voor Goudhaar was het lastig te spelen tussen al die drukte. Daarom klom ze nog vaker dan ze gewend was op de toren om naar de meeuwen te luisteren. En gelukkig verzekerden die haar steeds weer dat alles goed zou komen.

De dag was aangebroken waarop de koning van het buurland en zijn gevolg zich aandienden. Alles was in gereedheid en het hele paleis glom en schitterde. Daar schreden ze de troonzaal binnen: de vreemde koning, zijn raadsheren en ridders en, te midden van dit al, ook de dochter van de vreemde koning. Goudhaars vader opende de besprekingen met een feestmaal en hoewel hij en zijn hoge gast een levendig gesprek voerden, merkte de koning dat zijn blik toch steeds weer afdwaalde naar de mooie prinses met het ravenzwarte haar. Zijn gast ontging dit niet en hij was vergenoegd, want er was hem veel gelegen aan een gunstig verdrag. Wat zou er mooier zijn als dat zelfs met een band tussen de twee families bezegeld kon worden? Naarmate de avond verstreek en de wijn vloeide kon zelfs de koning zich niet aan de warme sfeer ontrekken en steeds vaker liet hij zijn blik vallen op de vreemde prinses. Zowaar kwam er een glimlach op zijn lippen en voor hij het wist had hij een dronk uitgebracht op zijn gast en diens lieftallige dochter. De gesprekken verliepen voorspoedig en er werden vele uren doorgebracht in goede stemming. Maar nu het einde van het bezoek naderde beried de koning zich op wat hij moest doen. Hij riep Goudhaar bij zich en vroeg haar of ze het fijn zou vinden dat er weer een paleisvrouwe zou zijn, op het slot. En hoewel Goudhaar zeker wist dat haar moeder nooit meer zou terugkomen en dat niemand in haar plaats zou kunnen staan, zei ze toch: Ja vader, dat zou fijn zijn. Want ze wilde haar vader niet ongelukkig zien. En zo werd de ontvangst niet alleen met een verdrag maar ook met een huwelijk beklonken. Een feest werd gehouden zoals het land sinds mensenheugenis niet meer had gekend en iedereen vierde dat het geluk van hun vorst van weergekeerd.
Na de huwelijksplechtigheden nam het leven weer zijn gang. En het leek wel alsof er niemand meer was die aan de gestorven koningin dacht en om haar rouwde. Maar dat was niet zo. Goudhaar dacht nog vaak aan haar. Als haar vader haar goede nacht kwam wensen sprak ze haar gedachten uit en samen herinnerden ze dan de tijden van vroeger.
De nieuwe koningin deed reuze haar best om bij Goudhaar in het gevlei te komen en hield niet op om mooie kleren en duur speelgoed voor haar te laten kopen. Maar al die zaken deden Goudhaar niets en nog steeds was ze het liefst op haar toren om naar de meeuwen te luisteren. En nog steeds verzekerden die het meisje dat alles goed zou komen. Dat was ook wat Goudhaar hoopte, hoewel het haar wel verwonderde dat de dieren haar dit nog steeds voorhielden, terwijl ieder om haar heen leek te denken dat de goede tijden nu weer waren teruggekomen. De koning merkte wel dat zijn dochter nog steeds verdrietig was. Meer dan eens liet hij daarom zijn staatszaken liggen om bij haar te kunnen zijn. En zo stonden ze soms ook samen op de toren, met de meeuwen om hen heen.

Meeuwen op kantelen 2

Dat haar man zo veel bij Goudhaar was beviel de nieuwe koningin allerminst. Haar gemoed betrok nog meer toen ze op een rijtoer merkte dat het volk Goudhaar het meeste toelachte, kushandjes en bloemen toewierp. Goudhaar, en niet haar, de koningin! En toen ze ook nog hoorde dat er vanuit de verte naar het prinsesje met het gouden haar werd gekeken, stond haar besluit vast. Zonder dat iemand het wist legde ze een groot zwart slot op de deur naar de toren en hield de sleutel verborgen. Goudhaar zou nooit meer op de toren staan! Goudhaar zou nooit meer naast haar man zitten! En zo jaloers was ze, dat ze broedde op een vreselijk plan om Goudhaar te laten verdwijnen, voor altijd.
Goudhaar vroeg aan iedereen waarom ze niet meer op de toren mocht. Maar niemand wist iets en niemand had het slot erop gedaan. Ze vroeg het ’s avonds laat aan haar vader. Maar die luisterde niet, want op de gang klonken de voetstappen van de nieuwe koningin en verwachtingsvol keek hij naar de deur. Toen begreep Goudhaar dat de vreemde koningin haar vader voor altijd van haar had weggenomen. En omdat ze nu voor altijd alleen zou zijn vluchtte het meisje door de gangen, de zware deur van het paleis uit, de nacht in. De lucht was helder en hoewel er geen maan scheen twinkelden vele sterren. Half tastend zocht Goudhaar zich in het duister een weg langs de muren van het kasteel. Zo belandde ze op een smalle strook zand onderaan de rotsen, waar een kleine vissersboot lag. Zonder te weten waarheen, stapte ze erin. De boot schoot los en zo dobberde ze langzaam de stille zee op.

Daar was ze, op het water, alleen. De vogels moesten wel gelogen hebben, dacht Goudhaar. Het zou nooit meer goed komen. En ze wist dat ze nooit meer terug wilde gaan. Dat ze liever dood was dan te leven in het kasteel waar niemand haar zou troosten. Misschien dat ze bij de koning van de zee kon blijven, als ze hem dat vroeg. Want haar vader had haar over de goden van hemel en aarde verteld. En daarom stak ze haar hand in het water en riep zacht tot het oppervlak: Koning Zee! Mag ik voor altijd bij je komen? En zo stapte ze uit de boot het water in. En Poseidon, want hij was het, hoorde wat Goudhaar zei. Hij ving het meisje met het gouden haar op en legde haar voorzichtig in een grote schelp. En zachtjes wiegde hij haar heen en weer. Goudhaar opende haar ogen en zag de wereld van de zee. De vissen zwommen zwijgend rond en het wier deinde op en neer. Goudhaar moest even denken aan de periode van rouw, toen alle geluid was afgedempt. Poseidon, die alle gedachten kent, keek haar aan en sprak: Lieve Goudhaar, natuurlijk kun je altijd bij mij blijven. Maar dan zul je nooit meer de lucht door je haren voelen en kunnen spreken met je vrienden, de meeuwen. En is dat niet wat je het liefste wilt? Goudhaar wist dat het waar was, maar van binnen was ze nog bedroefd en ze kon niet antwoorden. En de watergod wiegde haar in slaap, en zo sliep ze zeven nachten.

Schelp
Bij de achtste dageraad sloeg Goudhaar haar ogen op en ze zag dat de zon boven het water scheen. Ze zag hoe de wind de golven bewoog en zelfs meende in een donkere schim boven het oppervlak een langsschietende meeuw te herkennen. En toen wist ze dat ze terug wilde, naar boven. Poseidon tilde haar op en zette haar zachtjes in het sloepje. En op zijn bevel zwermden duizenden vissen om de boot. Spartelend met hun staarten deden ze het water schuimen en met hun bekken tegen het hout geduwd, voeren ze de kleine boot naar het strand. Goudhaar voelde de zon op haar huid en de wind in haar gouden haar en ze speurde naar de lucht, om haar vrienden de meeuwen te begroeten.

In het kasteel was alles in rep en roer geweest vanwege de verdwijning van de prinses. Overal was gezocht, maar toen niemand een spoor van haar kon ontdekken viel er een bedrukt stilzwijgen. De nieuwe koningin had ook eerst gedaan alsof haar het verdwijnen van Goudhaar enorm had geschokt. Maar toen er zeven dagen waren verstreken pakte ze de sleutel van de torendeur en sloop zachtjes de trap op. Vergenoegd beeldde ze zich in dat zij nu de vrouwe van de toren zou zijn, wie iedereen zou bewonderen! Met deze gedachte naar boven geklommen liep ze naar de kantelen. De zon scheen fel en de wind liet haar zwarte haren dansen. Denkend aan haar triomf hief ze haar armen en riep met een schelle stem: kom maar, vogeltjes, kom maar!
En de vogels, die Goudhaar al vele dagen op de transen hadden gemist, zagen een silhouet op de toren staan en kwamen allemaal aangevlogen. Maar dichtbij gekomen merkten ze dat het niet het meisje met het gouden haar was die hen wenkte, maar een vreemde vrouw wier zwarte lokken wiegden in de wind. De meeuwen zwenkten verward om elkaar. Het zwarte verschrikte hen en de kille ogen van de vrouw maakten ze angstig. Krijsend vlogen de vogels op haar af en met scherpe kreten pikten ze naar wat hen vrees aanjoeg. De koningin probeerde ze gillend af te weren. Maar het hielp niet, de vogels zwermden toe, te veel waren het er. Wild maaide de vrouw om zich heen. Bloed stroomde haar over de wangen, ze verloor haar evenwicht en met een ijselijke kreet stortte zij van de toren. En de rotsen sloegen de zwarte ziel uit het lichaam, dat wegzonk in het schuimende water.

Rotsen bij kasteel Goudhaar

De koning was in zijn werkvertrek geweest toen hij iets vreemds hoorde. Maar omdat hij vanuit zijn raam niet kon zien waarvan het kwam, repte hij zich door de gangen, naar buiten. En zo zag hij zijn dochter lopen over het smalle strand. Overal om haar heen vlogen de vogels. En hun wieken streelden het gouden haar, dat schitterde in de zon.

 

Sybe Dijkstra                                                                                             © 2000-2015

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.